REPORTAGES
Jeugdzorg
Tangotoerisme
Kinderarbeid
Bruiloft in Marokko
Boerenmeisjes
Rijksinrichting Den Engh
Voedselbank
Cirque du Soleil
Yoga Academie
Het tussenfasehuis
Mee met de gerechtsdeurwaarder
The Botox Experience
Two to tango
Pro Ana - anorexia via internet
Neotango
ANNEMARIEVANGROEZEN  JOURNALIST*
Kinderarbeid in Marokko

Help mee, houd deze kinderen op school (Marie Claire)

Kinderarbeid? daarvoor moet je naar landen als India en Bangladesh. Tenminste, dat dacht FNV Jong-voorzitter Judith Ploegman, en met haar vele anderen. Toen ze hoorde dat ook dichterbij, in Marokko, kinderen onder erbarmelijke omstandigheden moeten werken, zette ze dit onderwerp hoog op haar agenda en vetrok naar Fes. Om met eigen ogen te zien wat er mis is, en hoe men probeert deze misstanden aan te pakken. 

«Zitten jij,» sist een van de mannen naar een klein jongetje, als de delegatie van Nederlandse en Marokkaanse vakbondsmensen de keramiekwerkplaats binnen stapt. Hij neemt plaats op een stoel en blijft braaf zitten, terwijl de bezoekers ongestoord kijken hoe de kleurige aardewerken potjes en kommetjes, waar wij zo dol op zijn, gemaakt worden. Op de vraag hoe oud hij is, antwoordt het jongetje dat hij veertien is. Dat antwoord zal de komende dagen vaker gegeven worden door kinderen die er, net als hij, aanzienlijk jonger uitzien. Veertien jaar is de leeftijd waarop kinderen in Marokko mogen deelnemen aan het arbeidsproces. Zijn ze jonger, dan behoren ze op school te zitten. De kinderen in de werkplaatsen zijn goed geïnstrueerd om een beetje te liegen over hoe het precies zit, maar tegen doorvragen zijn ze niet allemaal opgewassen. Dit jongetje is pas negen jaar, zo wordt later duidelijk. Hij heeft een week geleden zijn ouderlijk huis, driehonderd kilometer ten noorden van Fès, verlaten en woont nu bij zijn oom in de stad om een vak te leren. En dat betekent vooral werken. Naar school – hij zat in de derde klas – gaat hij waarschijnlijk nooit meer.

800.000 ONZICHTBARE KINDEREN
In Marokko ondergaan ruim 1,4 miljoen leerplichtige kinderen hetzelfde lot. Ondanks een schoolsysteem waarmee op papier niets mis lijkt, zullen zij nooit de kans krijgen om een betere toekomst op te bouwen dan hun ouders. Kinderen worden keurig ingeschreven op school als ze zes jaar zijn, maar veel haken rond hun achtste al af om te gaan werken, of komen helemaal nooit opdagen. De armoede in Marokko is zo groot dat er per gezin slechts één, hooguit twee kinderen naar school kunnen. De overigen moeten werken om het gezin te onderhouden. Soms ook is de afstand tussen huis en school het struikelblok.
De harde realiteit is dat te veel kinderen voor een habbekrats lange dagen maken, en niet zelden in ongezonde omstandigheden: de werkplaatsen zijn stoffig en donker, ze zitten op krakkemikkige krukjes of urenlang op de grond in een werkhouding die funest is voor een lichaam dat nog niet is uitgegroeid, en ze komen in contact met giftige verf en andere schadelijke stoffen. Vooral Fès is een broeinest van kinderarbeid dankzij sterk ontwikkelde ambachtelijke sectoren als de textiel-, koper-, aardewerk- en leerindustrie. Daarnaast is veel kinderarbeid verborgen; het speelt zich af op het platteland, binnenshuis of in een duistere branche als de prostitutie. Ruim 800.000 kinderen behoren tot deze ‘onzichtbaren’; wat ze doen is niet bekend, behalve dat ze niet op school zitten.
Zorgwekkend, vindt Judith Ploegman (29), voorzitter van FNV Jong en een van de jonge vrouwen die deel uitmaakt van de delegatie die Fès bezoekt. Judith: «Ik associeerde kinderarbeid altijd met landen als India, dus ik was nogal verrast toen ik hoorde dat het ook relatief dicht bij huis in zo’n grote mate voorkomt. Ik wilde iets met dit onderwerp doen. Mijn collega’s van FNV Mondiaal en de Algemene Onderwijsbond zijn sinds twee jaar betrokken bij een project hier in Fes, dat als doel heeft kinderen tot hun veertiende jaar op school te houden. Het leek mij interessant om ons als jongerenvakbond op dit project te richten en te kijken hoe wij kunnen helpen.»
De Amsterdamse Soundos el Ahmadi (24), een upcoming stand-up comedian van Marokkaanse afkomst, vergezelt Judith tijdens haar werkbezoek. Ook voor haar gaat er een wereld open - Soundos is een typisch voorbeeld van de tweede-generatie-Marokkanen die geen idee hebben van de armoede in het land van hun roots. «Ik was altijd vooral een toerist in Marokko,» vertelt ze. «Strand, uitgaan en chillen, meer deed ik niet. En dat zes weken lang. Ik wist weinig van het leven dat mensen hier leiden, en al helemaal niet dat kinderen er zo uitgebuit worden.»

WERKEN, ALTIJD BETER DAN ZWERVEN
In een stoffige mozaïekwerkplaats zit een groepje arbeiders op de vloer tussen opeengestapelde tegels en stenen. Met een poster van FC Barcelona en plaatjes van Arabische filmsterren proberen ze af en toe even te ontsnappen uit hun uitzichtloze bestaan. Er zitten vier kinderen bij. Ze zijn druk met het glazuren van tegels en het glad schuren van mozaïeksteentjes. Hun kleine handjes zijn perfect voor het prielerige werk, en hun smalle lijfjes nemen weinig ruimte in beslag. Een jongetje van een jaar of negen overhandigt een azuurblauw hartje met de letters ‘love’ erin gekrast. «Un stylo,» gebiedt hij vervolgens in het Frans - er komen hier duidelijk veel toeristen een kijkje nemen, want de jochies zijn stuk voor stuk zeer geroutineerd in deze ruilhandel. Op de vraag hoe hij heet, zegt hij verlegen zijn naam. Maar op de vraag hoe oud hij is, zwijgt hij, en verdiept hij zich weer in zijn werk. Hij beantwoordt geen vragen, zegt de volwassen collega naast hem.
Ondertussen is er even verderop een verhitte discussie losgebarsten tussen Mohammed Mdaghri, projectleider en bestuurslid van de Algemene onderwijsbond (Aob) van de FNV, en een van de opzichters. De laatste is ervan overtuigd dat als kinderen niet op hun zevende of achtste jaar beginnen met werken, ze het vak niet meer in de vingers krijgen. Bovendien willen veel kinderen volgens hem helemaal niet naar school. «Als ze niet al jong door een bedrijf worden binnengehaald, belanden ze op straat en in de wereld van drugs en criminaliteit.»
Judith staat erbij en kijkt ernaar. «Hier word ik echt een beetje droevig van,» zegt ze. «Het lijkt wel of deze mensen echt geen ander perspectief zien. Ze beseffen niet dat het beter is voor de toekomst van hun land als kinderen wél naar school gaan. Op deze manier wordt Marokko nooit een rijker land. Ze zien niet dat kinderarbeid een oorzaak is van armoede, geen gevolg.»
Even later probeert Judith tevergeefs haar tranen te bedwingen. Een man in pak spreekt haar aan, hij is een van de bazen van het bedrijf. Een beetje geïrriteerd vraagt hij of ze moet huilen vanwege de kinderen die bij hem werken. Judith legt hem uit waarom ze verdrietig is en hoort weer dezelfde riedel: dat kinderen anders maar op straat zouden zwerven, of thuis rondhangen bij hun werkloze, drinkende vaders die niets beters te doen hebben dan hun vrouwen slaan. Ze bij die ellende weghouden, is beter, zegt de zakenman stellig.
Misschien,» zegt Judith, «is het beter als die vaders gaan werken in plaats van de kinderen. Dan drinken ze ook niet, én slaan ze hun vrouwen niet. En hun kinderen, die kunnen dan gewoon naar school.»

DOKTER WORDEN, OF TOCH MAAR BOER?
Want school is toch waar het allemaal om draait, willen we ooit een betere wereld zonder armoede. In september 2000 werden tijdens de algemene vergadering van de Verenigde Naties de Millenniumdoelstellingen opgesteld. Een daarvan is dat in 2015 alle kinderen op de wereld basisonderwijs moeten volgen. Alleen al in Fès is er nog een lange weg te gaan, realiseert Judith zich. «Het zit in de hoofden van mensen dat het niet anders kan dan zoals het nu gaat. Er is een mentaliteitsverandering nodig. Werkgevers moeten bereid zijn meer loon te betalen en de banen aan volwassenen geven, kinderen moeten zich niet langer schuldig voelen over de situatie waar hun ouders in zitten, en ouders moeten inzien dat school belangrijk is om hun kinderen een kans te geven op een betere toekomst.»
Dit is ook wat de Marokkaanse en de Nederlandse onderwijsbonden proberen te bereiken met hun project. Op vijf basisscholen in Fès draaien sinds het najaar van 2004 pilots en de resultaten zijn veelbelovend, aldus Mohammed Mdaghri van de Aob. «Het schooluitval is drastisch gedaald. School wordt leuk gemaakt voor de kinderen, met veel naschoolse activiteiten als zang en dans. Ook de ouders worden er nauw bij betrokken, zodat ze zien dat het goed is voor hun kinderen. Ouders die analfabeet zijn, en dat zijn er veel, kunnen bovendien ook zelf leren lezen en schrijven. Veel kinderen gingen van school omdat ze zich altijd ziek voelden. Medisch onderzoek wees uit dat ze hoofdpijn hadden omdat ze slechte ogen hadden. In totaal hebben er binnen het project tweehonderd kinderen een bril gekregen. Die vinden het nu leuk op school en presteren goed.»
Een belangrijke reden voor het slagen van het project is de betrokkenheid van de leerkrachten. Mdaghri: «Doordat hun arbeidsomstandigheden en -voorwaarden zijn verbeterd – ze krijgen bijscholing, beter lesmateriaal en gunstigere roosters – voelen ze zich meer gewaardeerd. Ze zien het als hun taak om ouders te overtuigen hun kinderen op school te houden. En als ze toch van school worden gehaald, doen ze er alles aan om die kinderen terug te halen.»
Op een van de deelnemende scholen, een plattelandsschooltje zo’n vijftien kilometer buiten de stad, zitten alleen maar vrolijke kinderen. Sommigen zijn een tijdje van school geweest, maar stuk voor stuk weer teruggehaald. Ze hebben bijna allemaal dezelfde toekomstdroom: dokter worden. Niemand ambieert het om, net als hun ouders, boer of huisvrouw te zijn. «Dokter lijkt me een mooi beroep,» zegt Kantar (12). In tegenstelling tot haar twee zussen en broer, die thuis blijven om hun ouders te helpen, vindt Kantar het leuk op school. Maar ook zij doet het nodige thuis: ze bakt brood, doet de was (met een wasbord) en ze wast af. ’s Avonds maakt ze haar huiswerk en, ja, ze heeft tijd over om te spelen.
Toch zal slechts een enkeling de doktersdroom realiseren. Secundary school is vaak alleen voor de allerbesten weggelegd. Voor de meeste boerenkinderen ligt het eindstation uiteindelijk gewoon op het platteland. Net als voor Laila (13), die tot haar twaalfde naar school is gegaan, maar nu de hele dag op de koeien van haar ouders moet letten. Op de vraag of ze dit de rest van haar leven zal doen, kijkt ze alsof ze zich niet kan voorstellen dat er nog iets anders mogelijk is.
Voor Outhman Moustakim (17), een jongen uit de stad, kwam het project helaas een paar jaar te laat. In de kamer van de directeur van zijn voormalige school in de stad, inmiddels een van de successcholen uit het project, hangt nog altijd een geplastificeerde foto van de oud-leerling. Een jongetje in een lichtgrijze trui, met op de plaats waar zijn handen moeten zitten twee bebloede stompjes. Vijf jaar geleden verliet hij de schoolbanken om te gaan werken. Met een gruwelijk ongeval op zijn veertiende jaar tot gevolg.
Judith is onder de indruk. «Ik wil hem ontmoeten,» zegt ze. «Is dat mogelijk?»

OUTHMANS VERHAAL
De wijk waar Outhman woont, behoort tot een van de armste van de stad. Het appartement van zijn ouders is klein. Een eigen kamer heeft Outhman niet, slapen doet hij op de bank. Ondanks de armoedige omstandigheden waarin het gezin leeft, is de ontvangst hartelijk. Er komen flessen Sprite en Fanta op tafel, en Outhman begint zijn hartverscheurende verhaal. «Ik werkte ruim een half jaar in een schoenenfabriekje, samen met een jongen van twaalf en nog een volwassen man. Het was ramadan, dus hadden we andere werktijden dan normaal. Ik begon om tien uur ’s ochtends en werkte tot acht uur door. Daarna gingen we eten en werkten we tot vier uur in de ochtend verder. Soms waren we zo moe dat we in de fabriek bleven slapen. Toen het gebeurde, was het midden in de nacht. Ik was alleen met de jongen van twaalf. Ik wilde een vel leer losmaken uit een van de machines en dacht dat de machine uit stond. Dat bleek niet zo te zijn. Op het moment dat ik het vel pakte, werden mijn beide handen geplet. Het bloed stroomde eruit. De baas was nergens te vinden, dus ben ik zelf op zoek gegaan naar een taxi. Nog voor de deur van het ziekenhuis ben ik buiten bewustzijn geraakt.»  
Outhmans handen moesten meteen geamputeerd worden. Sinds die tijd zit hij thuis, al drie jaar lang. Op de vraag hoe hij zijn toekomst ziet, blijft het stil. «Ik heb gelukkig mijn vrienden nog, en overdag breng ik tijd door in de garage van mijn zwager. Of speel ik PlayStation in het café. Dat kan ik nog steeds goed. Ik heb geprobeerd om opnieuw te leren schrijven, maar dat is niet gelukt.» 
De werkgever van Outhman is door de rechter veroordeeld tot het betalen van 2000 euro per jaar. Dat geld is nodig om van te leven – Outhmans vader heeft astma en is arbeidsongeschikt – en zal dus nooit gebruikt kunnen worden om protheses aan te schaffen. Die kosten maar liefst 10.000 euro per stuk.
«Hoe haalt iemand het in zijn hoofd,» zegt Judith, als ze een uur later weer buiten staat. «Om kinderen ’s nachts te laten werken, zonder volwassene erbij! Het zal nog lang duren voordat dit soort misstanden echt helemaal verleden tijd zijn, maar toch ben ik optimistisch. Vanwege dit succesvolle schoolproject, en omdat ik weet dat er grote bedrijven zijn die serieus hun best doen om hun producten kinderarbeid-vrij te produceren. Daar kunnen wij als FNV een rol in spelen, net als dat we kunnen proberen om de vakbonden in Marokko sterker te maken. En, als ik straks terug ben, wil ik me inzetten voor Outhman. Natuurlijk is hij een van de vele kinderen die zo iets afschuwelijks is overkomen, maar ik zou het heel graag voor elkaar willen krijgen dat hij die twee protheses krijgt.»