INTERVIEWS
Journalist Joris Luyendijk
Judith Ploegman van FNV Jong
Cabaretière Sara Kroos
Actrice Bracha van Doesburgh
Strafadvocaat Inez Weski
Schrijfster Naema Tahir
Hanneke Festen van het OM
Victimoloog Jan van Dijk
Anna Korvinus
Zwemster Marleen Veldhuis
Tori Amos
Mukhtar Mai
Sylvana Simons
Anneke van The Gathering
ANNEMARIEVANGROEZEN  JOURNALIST*

‘De komende jaren komt het echt aan op de uitvoering’
Interview met Nationaal Rapporteur Mensenhandel Anna Korvinus (Mr. 2006)

Momenteel werkt ze hard aan alweer de vijfde rapportage mensenhandel, die naar verwachting komend najaar zal verschijnen. Daarin zal speciale aandacht worden besteed aan uitbuiting in de sociaal-economische arbeidssector en aan het onderwerp financieel rechercheren. Want mensenhandel bestrijden gaat verder dan alleen misstanden in de seksindustrie opsporen. Nationaal Rapporteur Mensenhandel Anna Korvinus over het stapelen van informatie en het terugsturen van slachtoffers.

Zeven jaar geleden stapte ze, na 31 jaar OM, over naar de zittende magistratuur. Een klein jaar later werd ze door de minister van Justitie gevraagd voor de functie van Nationaal Rapporteur Mensenhandel (NRM). Een nieuwe, onafhankelijke functie, gecreëerd vanuit de gedachte dat regering en overheid zo volledig mogelijk geïnformeerd moeten zijn over het onderwerp mensenhandel, willen ze dit succesvol kunnen aanpakken. Het takenpakket van de nationaal rapporteur zou grosso modo bestaan uit het verzamelen van informatie over de aard en de omvang van mensenhandel, het op een objectieve manier onderzoek doen naar de problemen die zich voordoen tijdens de opsporing en vervolging ervan, het onderzoeken van de knelpunten in de hulpverlening aan slachtoffers, en het formuleren van aanbevelingen die de aanpak van mensenhandel moeten verbeteren.
Mr. Dien Korvinus zei ja op het aanbod en treedt sindsdien regelmatig in het buitenland op onder haar eerste naam Anna. “Ik heb in deze functie veel internationale contacten, en buitenlanders vinden Dien te kort om goed te kunnen uitspreken”, verklaart ze de naamswisseling, in haar zonovergoten werkkamer aan de Haagse Koninginnegracht, waar ze gemiddeld drie dagen per week vertoeft. Het bureau van de nationaal rapporteur mensenhandel zetelt in het kleurloze gebouw van het WODC, maar achter de klapdeuren, waar de kamers van het bureau zich bevinden, zijn de muren ineens vrolijk geel. Bewust, aldus een medewerker. Omdat het onderwerp al zo zwaar is.

Grotere pakkans
Dat mensenhandel ooit zal verdwijnen, die fiducie heeft Korvinus niet. “Mensenhandel vloeit voort uit armoede, gebrekkige werkomstandigheden en het ontbreken van toekomstperspectief. Dat maakt dat potentiële verdachten blijven zoeken naar manieren om snel geld te verdienen, en potentiële slachtoffers naar een plek waar het leven beter is. Die zogenoemde push- en pullfactoren, die te maken hebben met de grote verschillen in welvaart en werkgelegenheid, neem je niet zomaar weg uit de wereld, al zouden we daar meer naar moeten streven. Wat we wél kunnen, is mensenhandel zoveel mogelijk bestrijden en tegenhouden. Dat is een gezamenlijke inspanning, nationaal en internationaal.”
Toen Korvinus aan haar taak begon, was op internationaal niveau net het besef doorgedrongen dat de aanpak van mensenhandel, naast drugs- en wapenhandel, aparte en wereldwijde inspanning vergt. In november van dat jaar werden afs[raken daarover vastgelegd in het VN-Verdrag inzake grensoverschrijdende georganiseerde misdaad,en het aanvullende Protocol inzake de voorkoming, bestrijding en bestraffing van mensenhandel. Het verdrag/protocol legt verband tussen mensenhandel en de verplichting tot samenwerking tussen de deelnemende landen. “Dat betekent dat de structuur van de aanpak op nationaal niveau in de pas moet lopen met de internationale aanpak”, aldus Korvinus. “In de meeste arrondissementen was dat zes jaar geleden nog helemaal niet het geval. Mensenhandel was hier ondergebracht in de zedensector. Men benaderde het op dezelfde manier als bijvoorbeeld incest. En na de opheffing van het bordeelverbod, in oktober 2000, baseerde men zich op wat men per toeval tijdens de controles aantrof in bordelen. Maar mensenhandelaren gaat het er niet om de seksuele moraal onderuit te halen. Aan mensenhandel liggen commerciële motieven ten grondslag. Het draait om low risks, high profits; snel geld verdienen, en een kleine pakkans. Vaak vindt mensenhandel dan ook plaats binnen een crimineel netwerk. Zelfs binnenlandse handel, zoals de zogenoemde loverboy-praktijken, zijn gebaseerd op een wervingsmethode die ook bij de georganiseerde misdaad wordt gebruikt. Ik heb er jaren op gehamerd dat de pakkans vergroot moet worden. Als het handelaren namelijk om winst gaat, moet je kijken hoe je die winst kunt terugschroeven. Pas na een veroordeling is het mogelijk om de daders de winst te ontnemen.”
In haar derde rapport deed Korvinus de aanbeveling om tot een nationaal actieplan te komen. Veel landen hadden dat al, en vlak voor de kerst van 2004 werd het ook in ons land gelanceerd. Korvinus: “Voordeel van zo’n actieplan is dat de overheid daarin een officiële, kenbare reactie op de gedane aanbevelingen geeft en meteen aangeeft wat zij ermee gaat doen, wat er nog voor onderzoek nodig is en wat het tijdpad is. Het plan kan telkens worden bijgesteld en aangevuld. Een concreet resultaat is dat het onderwerp is ingebracht bij de Nationale Recherche, waar in mei vorig jaar een Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel (EMM) is opgezet. De bedoeling is dat de regiokorpsen daar hun informatie aanleveren, en dat er wordt teruggekoppeld welke onderzoek waar en door wie moet worden opgepakt. Korvinus: “Het CIE (Criminele Informatie Eenheid) werkt hard aan die versterkte informatiepositie, maar het duurt even voordat dit zijn vruchten afwerpt.  Net als bij andere vormen van georganiseerde misdaad gaat het om het stapelen van informatie, je moet meestal eerst iets opbouwen. Hoe groter de kennis, hoe groter je macht.”
Het verdrag en de aanbevelingen van Korvinus hebben politie en justitie ervan doordrongen dat op het terrein van de mensenhandel georganiseerde misdaad actief is, en dat je het dus op een daarop gerichte manier moet aanpakken. Daardoor is de opsporing en vervolging geïntensiveerd, aldus Korvinus. “Optimaal is het nog steeds niet, maar vergeleken met zes jaar geleden is er zeker wat verbeterd.”

Misverstand
Dat de opsporing van mensenhandel in de praktijk nog te wensen overlaat, werd eind vorig jaar duidelijk uit het artikel van jurist/onderzoeksjournalist Ruth Hopkins in M, het maandelijks magazine van NRC, over de situatie op de Amsterdamse Wallen. Daaruit bleek dat de politie vooral machteloos toekijkt hoe jonge meisjes slachtoffer worden van geweld en uitbuiting door loverboys en georganiseerde pooierbendes. De aanpak van dit soort praktijken zou niet op het prioriteitenlijstje staan en bovendien zou er onvoldoende menskracht zijn om alle aangiftes te behandelen. 
Korvinus kent het verhaal. Ze weet ook dat mensenhandel op papier wél prioriteit heeft, omdat de minister van Justitie het, naast onder meer verdovende middelen (hard drugs), terreur en witwaspraktijken, tot een van de zes speerpunten binnen de aanpak van de georganiseerde misdaad heeft verklaard. “Maar,” geeft ze toe,  “het is altijd weer de vraag wat er in de praktijk van terechtkomt.”
Ze juicht het toe dat het bestrijden van mensenhandel niet alleen afhangt van strafrechtelijke middelen. De campagnes bijvoorbeeld, die klanten van prostituees op de eigen verantwoordelijkheid wijst en hen oproept vermoedens van mensenhandel en gedwongen arbeid te melden, desnoods anoniem, vindt ze een goede ontwikkeling. “Uiteindelijk wil men dit ook toepassen voor de afnemers in andere arbeidssectoren waar uitbuiting plaatsvindt.”
En met de opheffing van het algemeen bordeelverbod, gekoppeld aan de invoering van een vergunningenstelsel, is er nog een extra middel gecreëerd om mensenhandel boven water te halen, namelijk door bestuurlijke controle. Dat de legalisatie van prostitutie uiteindelijk een einde zou maken aan uitbuiting binnen de seksindustrie in al zijn verschijningsvormen, of op zijn minst tot gevolg zou hebben dat het in zijn totaliteit makkelijker op te sporen zou zijn, was een misverstand, aldus Korvinus. “Mensenhandel was er altijd al, en was altijd al verboden, daar staat de opheffing van het algemeen bordeelverbod los van. Maar het is wel des te belangrijker dat die controle optimaal en zo intensief mogelijk gebeurt. Want met een gelegaliseerde prostitutiebranche waarin zich strafbare feiten voordoen, maken we ook een heel slechte indruk op het buitenland.”

Veilig uitzetten
De komende jaren komt het volgens Korvinus echt aan op de uitvoering. Én op de bescherming van de slachtoffers van mensenhandel. Ze wil voorkomen dat het beeld ontstaat dat Nederland in de ijver om illegalen uit te zetten, nalaat te onderzoeken of iemand slachtoffer is van mensenhandel. “In het verleden zijn er voorvallen geweest waarbij de bezorgdheid is geuit of het slachtofferschap niet gemist is. Maar de identificatie van slachtoffers is een van de belangrijkste thema’s, en blijft dat ook in de toekomst.”
Veel slachtoffers willen in Nederland blijven, maar Korvinus is er geen voorstander van om de deur ruim open te zetten en zondermeer te zeggen: blijft allen maar hier. Korvinus: “Uiteindelijk moet iemand teruggestuurd kunnen worden, als dat tenminste op een veilige manier kan, net als in de asielprocedure. Daar moet serieus naar gekeken worden, maar dat is niet altijd makkelijk. Regel maar eens contact tussen de hulpverlening hier en die in, bijvoorbeeld, Bulgarije. Uit dergelijke zogenoemde bronlanden, waaronder ook een land als Roemenië valt, komen bovendien niet alleen veel slachtoffers, maar ook dadergroepen. Daarnaast moet je elkaar over en weer als politie-instantie kunnen vertrouwen met betrekking tot het uitwisselen van informatie. En, zonder concreet landen te noemen, het corruptieniveau is hierbij zeker een punt van zorg. Is veilige terugkeer niet mogelijk, dan moet iemand hier kunnen blijven op humanitaire gronden. Die mogelijkheid is in daartoe geëigende gevallen tot op heden te weinig benut, maar daar gaat, hoop ik, verandering in komen. De minister van Vreemdelingenzaken heeft immers de mogelijkheid om een zogeheten veiligheidsdossier aan te leggen, waardoor de veiligheidsrisico’s systematischer dan tot nu toe bekeken kunnen worden.”
Korvinus hoopt dat de informatiegestuurde opsporing uiteindelijk ook de veiligheid van slachtoffers ten goede komt. “Slechts een klein percentage durft nu aangifte te doen, of als getuige op te treden wanneer er een verdachte is opgepakt. Nederlandse slachtoffers zijn soms al bang dat ze ‘kwaad aangekeken worden’, om het zo maar te noemen. Bij georganiseerde internationale criminele netwerken is die angst nog groter, omdat de belangen nog veel groter kunnen zijn. Het is moeilijk om het vertrouwen van een slachtoffer te winnen, zodat deze zijn verhaal wil doen. Zeker als het slachtoffer degene is die de opsporing in gang zet, kan men er vanuit gaan dat de verdachten met minder mooie gevoelens jegens deze persoon rondlopen. Als de verklaring van een slachtoffer echter slechts een sluitstuk is, omdat er al zoveel belastende informatie is verzameld, betekent dat een grote vooruitgang.”
In haar aanbevelingen heeft de NRM er bovendien voor gepleit ook de belangen van slachtoffers die geen medewerking kunnen of willen verlenen aan opsporing en vervolging in het vizier te houden. Ook deze slachtoffers, die niet onder de B9-regeling vallen (een voorziening uit de vreemdelingenwetgeving die slachtoffer-getuigen tijdelijk een legale verblijfstitel geeft), verdienen bescherming als ze grote risico’s lopen. Korvinus: “Ik heb de afgelopen jaren geprobeerd de wereld van de hulpverlening en die van opsporing en vervolging dichter bij elkaar te brengen. Er wordt wel eens een onnodige tegenstelling gesuggereerd tussen het belang van de aanpak van daders en de belangen van slachtoffers. Alsof opsporing en vervolging louter een eigen ‘speeltje’ is van politie en justitie, dat los staat van slachtofferbelangen. Men speelt de mensenrechtelijke benadering uit tegen de aanpak van de georganiseerde misdaad. Terwijl de aanpak van georganiseerde misdaad op dit onderwerp draait op de motor van de constatering van, en de verontwaardiging over de schending van mensenrechten. De strafbepaling berust juist op de pijler van het hooghouden van de menselijke waardigheid als fundamenteel mensenrecht. Je kunt het niet los van elkaar zien. Je kunt als hulpverlener wel zeggen: dit individuele slachtoffer wil om begrijpelijke redenen niet meewerken, maar als je dat doorzet, blijven daders ongemoeid en kunnen zij elke keer nieuwe slachtoffers maken. Dan blijft het een gebied van hoge winst en lage pakkans, en daar dien je de slachtofferwereld in zijn totaliteit niet mee. Je moet aan beide kanten investeren op de langere termijn. Mijn invalshoek is dat repressie tevens een vorm van preventie is. Dat besef is, denk ik, ook doorgedrongen bij de hulpverleningsinstanties.”

Mensenhandel of mensensmokkel?
Op 1 januari 2005 is het strafbare feit mensenhandel in ons Wetboek van Strafrecht verruimd. Naast uitbuiting in de seksindustrie zijn nu ook andere vormen van mensenhandel strafbaar, te weten uitbuiting in andere sectoren van arbeid en dienstverlening en bepaalde activiteiten gericht op het verwijderen van menselijke organen. Mensenhandel wordt regelmatig in één adem genoemd met mensensmokkel, maar het gaat om twee verschillende dingen. Mensensmokkel betreft mensen die in beginsel vrijwillig naar een ander land willen. Weliswaar wordt daar veel geld voor gevraagd, dus in die zin zit er een handelsaspect aan, maar het centrale punt bij smokkel is dat mensen op een ongeordende, illegale manier de grens over gaan. Bij mensenhandel staat de uitbuiting centraal, de schending van fundamentele mensenrechten.
In ons Wetboek van Strafrecht is, evenals in het VN-Protocol Mensenhandel, in de definitie van mensenhandel bewust het element grensoverschrijdend niet opgenomen, omdat men ook binnen Nederland slachtoffer kan worden van uitbuiting. Denk aan de loverboypraktijken en vormen van kinderprostitutie. Van de zaken die de politie oppakt is driekwart echter wel grensoverschrijdend.

Anna Gerardina Korvinus
1939: geboren op Midden-Java, Indonesië)
1964-1967: Advocaat te Rotterdam
1967-1969: Raio te Rotterdam
1969-1978: Officier van Justitie te Rotterdam
1978-1980: Officier van Justitie 1e klasse en waarnemend Advocaat-Generaal,  gerechtshof Den Haag
1980-1999: Advocaat-Generaal en waarnemend Procureur-Generaal,  gerechtshof Amsterdam, lid van diverse (ministeriële) commissies op het gebied van medisch-juridische aangelegenheden, georganiseerde criminaliteit en openbare orde
1999-heden: Raadsheer-plaatsvervanger en deeltijd raadsheer gerechtshoven Amsterdam en Den Haag
2000-heden: Nationaal Rapporteur Mensenhandel