Het witbetegelde gerechtsgebouw steekt sober af bij de glimmende kantoortorens van de Zuidas, het booming Amsterdamse zakendistrict aan de overkant van de weg. Desondanks heeft Hanneke Festen (38) wel een beetje het gevoel deel uit te maken van diezelfde snelle wereld. Oké, haar vak heeft weinig glamour, geeft ze toe. «Je moet dit beroep niet kiezen voor het aanzien, want op een feestje zal niemand ‘wow’ roepen als je vertelt dat je officier van justitie bent. En voor het geld hoef je het ook niet te doen. Met de uren die wij maken, kun je bij een advocatenkantoor het drievoudige verdienen.» Het is de dynamiek van het vak die haar drijft, gekoppeld aan het belang dat ze ermee dient. «De officier is de ruggengraat van het strafrechtsysteem. Er moet iemand zijn die zegt: dit mag écht niet. Dat vind ik belangrijk, en ik doe graag werk dat ik belangrijk vind. Als ik ’s ochtends wakker word, moet ik, bij wijze van spreken, het gevoel hebben dat als ik niet opsta er dingen misgaan.»
Ze praat snel. Zeker als ze over haar werk vertelt, kan ze «erg enthousiast» worden. Die drive moet je ook wel hebben, vervolgt Festen, want haar baan is bepaald geen negen-tot-vijf-job. «Als officier heb je weekenddiensten en nachtdiensten. En als je een onderzoek leidt, moet je 24 uur bereikbaar zijn voor de politie. Want als dat onderzoek ‘klapt’, zoals dat heet, moeten er, soms onder grote druk, beslissingen genomen worden. Over aanhoudingen, huiszoekingen, dat soort zaken. Beslissingen die diep ingrijpen in de levens van mensen, maar die het juist ook zulk interessant werk maken. Het is mooi om een bijdrage te leveren aan het oplossen van misdrijven. Ik kan helaas niet het leed van de slachtoffers goedmaken, en die illusie heb ik ook nooit gehad. Maar het is nog erger voor ze als er niets gebeurt.»
Tien jaar geleden, toen ze de Raio-opleiding deed (om rechter of officier van justitie te kunnen worden), had ze er nog geen idee van dat dit werk zo bij haar zou passen. «He-le-maal niet,» antwoordt ze lachend op de vraag of ze er vroeger als klein meisje al van droomde ooit het onrecht te bestrijden. «Sterker nog, toen ik was afgestudeerd, dacht ik: blij dat ik mijn bul heb, maar ik ga écht niet een juridisch beroep in. Ik wilde iets internationaals, bij de VN bijvoorbeeld. Maar dat leek me bij nader inzien toch vooral politiek lobbywerk, en dat is niets voor mij. Ik moet concreter bezig zijn. Ik koos voor de Raio-opleiding, om uit te proberen of de rechterlijke macht misschien iets voor me was. Hoewel het me wel een juridische elite leek en alleen weggelegd voor de stille, enthousiaste voorste rij in de collegezaal, terwijl ik achterin nog zat bij te komen van de avond ervoor. Tijdens de sollicitatieprocedure, die zes maanden duurde, ontmoette ik mensen die de opleiding deden, en die voldeden helemaal niet aan dat beeld. Ze vertelden ook leuke dingen over de opleiding, dus uiteindelijk wilde ik niets liever dan aangenomen worden. Al was dat toen nog met het idee om rechter te worden. Na amper drie maanden op het parket van de officier van justitie te hebben gewerkt, wist ik echter: dit is mijn baan.»
emoties
Ze herinnert zich nog hoe ze, toen ze net in het strafrecht werkte, dingen zag die haar daarvoor nooit waren opgevallen. «Ik werkte in Utrecht en liep dagelijks over Hoog Catharijne. Ineens zag ik mensen dingen in plantenbakken stoppen. Je leest in dossiers beschrijvingen van de manier van lopen van verdachten, en denkt op straat: verdomd. Ik dacht ook regelmatig: even de politie bellen. Die scherpere blik, daar moet je je toch overheen zetten, want je kunt niet de hele tijd als Sherlock Holmes door de stad lopen, dat wordt te gek.»
De dagelijkse confrontaties met het slechtste in de mens en veel slachtofferleed zijn echter onontkoombaar in haar vak. Toch is er nog geen dag geweest dat ze dacht: nu wil ik die ellende even niet lezen. «Nee, dat is geen afstomping,» zegt Festen, «het is vooral een kwestie van ervaring. Een aangifte is voor mij een zakelijke weergave, een bewijsmiddel. Een dossier, hoe gruwelijk de details ook zijn, lees ik technisch. Wat is er gebeurd, waar is bewijs voor en zit er misschien een foutje in? Maar als je een gesprek met een slachtoffer hebt gehad, zeg je niet meteen ‘volgende zaak’. Dan ga je even met iemand praten, want het leed is wel heel rauw aan je gepresenteerd. We zijn juridische professionals, maar we verwoorden in de zittingszaal ook namens slachtoffers wat hen is overkomen. Dus strikt zakelijk juridisch is het niet altijd, want je kunt onder de indruk raken van een slachtoffer. En als het te erg wordt, moet je jezelf van de zaak laten halen, want dan kun je je werk niet goed doen. Het is mij nooit gebeurd, maar ik heb wel eens zaken overgenomen van collega’s voor wie de zaak te dichtbij kwam. Een doodslag op een baby bijvoorbeeld kan heel emotioneel zijn als je zelf net een kind hebt gekregen. Op zaken overdragen omdat je je er niet prettig bij voelt, rust hier gelukkig geen taboe.»
Zelf heeft ze ook momenten die ze nooit zal vergeten. «Ik heb één keer levenslang geëist tegen iemand. Ik moest hem recht in de ogen kunnen kijken en zeggen: ik wil dat jij tot aan je dood blijft vastzitten. Ik vond dat ook echt, want het ging om een dubbele moord, maar het is lastig en gaat je niet in de koude kleren zitten. Ik moest daarna even een kleine wandeling maken.»
voorlichtingshippie
Twee jaar geleden verruilde ze tijdelijk de gewone strafzaken voor de portefeuille van persofficier. En dat betekent bijna elk weekend werken, en regelmatig ook ’s avonds. Festen: «Ik moet 24 uur bereikbaar zijn voor de pers. En als journalisten me bellen, moet ik een verhaal klaar hebben. Dus moet ik ook in het weekend alle kranten lezen en op het moment dat er iets in de stad gebeurt meteen erachteraan bellen om uit te zoeken hoe het precies zit. Ik ben wel eens bellend uit een saunacentrum gezet - want dat mag daar niet - en word regelmatig van etentjes weggeroepen. Sta ik wéér de halve avond op straat te bellen. Nee, dat is niet gezellig voor mijn familie en vrienden. Maar ik ben nu eenmaal een voorlichtingshippie, daarom ben ik dit gaan doen. Ik vind het belangrijk dat mensen weten waarom we bepaalde beslissingen hebben genomen. Iedereen heeft wel een mening over ons strafsysteem en er wordt heel wat gediscussieerd. Prima, maar wel graag gebaseerd op de juiste feiten. Neem de onderzoeken die nu lopen met betrekking tot de reeks liquidaties hier in het criminele circuit van Amsterdam. Men denkt: nou, ze hebben een kroongetuige, er wordt aangehouden, waarom moet het zo lang duren voordat die zaak op zitting komt? Maar dit zijn heel complexe onderzoeken, waarin ook de verdediging de ruimte moet krijgen om getuigen te horen, waarvoor soms in het buitenland bewijs moet worden vergaard, gebonden aan de nodige procedures. Dat zijn geen zaken die door een rechter worden afgehamerd, zo van: baf, 20 jaar. We zijn, vind ik, verplicht om uit te leggen dat het niet zo simpel is.»
Het geven van quotes in de pers is minder dan vijf procent van haar werk. Ze praat vooral veel met collega’s, gaat naar hun zittingen zodat ze het standpunt van het OM later kan samenvatten, overlegt met de politie en werkt mee aan voorlichtingsprojecten - «morgen doe ik het allerleukste wat een persofficier kan doen: school-tv!» - en opsporingsberichtgeving. Ja hoor, RTL Boulevard is ook welkom. Maar ik ga niet aan de desk zitten. Moet ik eerst iets over een strafzaak vertellen en vervolgens mijn mening geven over de jurk van Paris Hilton. Van dat laatste heb ik geen verstand, en bovendien interesseert het me niet zoveel.»
Festen viel op tijdens de ontvoeringszaak van Claudia Melchers, twee jaar geleden, toen ze een persconferentie belegde om een einde te maken aan de wilde speculaties in de pers. Ze windt zich opnieuw een beetje op als ze eraan terugdenkt. «Dat vond ik heel moeilijk. We waren in het belang van haar veiligheid en het onderzoek genoodzaakt onze mond te houden, en daardoor ontspoorden de media volledig, bijvoorbeeld met berichten dat haar familie in de cokehandel zit. Dat ging door toen Melchers bevrijd was, want waarom verscheen ze niet zelf in de media, vroeg men zich af. (Fluisterend:) «Nou, omdat ze toen nog steeds werd bedreigd. Maar dat konden we niet zeggen. We hebben, toen de kust eenmaal veilig was, bewust voor een persconferentie gekozen. Deze zaak zal me nog lang bijblijven. Niet alleen is Melchers gegijzeld geweest, ze leefde daarna nog wekenlang in angst, en moest ook nog zien hoe haar familie door het slijk werd gehaald. Dat hield me bezig. Iets in mij wilde het steeds uitschreeuwen: maar het zit zo, snap dat dan!»
eelt op de ziel
Hoewel ze haar brood verdient met het opsporen van criminaliteit, en ze zichzelf als persofficier ook in de kijker speelt, is ze nog nooit bang geweest dat haar iets zal overkomen. «Ik ben één keer bedreigd op een zitting. Dat ging echt nergens over; het betrof een zaak over een opgevoerde brommer waarin ik een geldboete eiste. Die jongen ging echter volledig door het lint en riep: ‘Ik weet je te vinden, ik wacht je op!’ Ik vond het vervelend, maar was niet bang op dat moment. De rechter adviseerde me om niet via de hoofdingang naar huis te gaan. Een uur later liep ik via de zijuitgang naar de bushalte, stond die jongen daar! Ik dacht: o god, nee, daar heb je hem. Hij keek me recht aan, maar dwars door me heen. Met dank aan de toga. Die zwarte hoes is, bleek toen, toch wat ze vooral zien.»
Ze heeft wel van dichtbij meegemaakt dat het ook anders kan, toen haar collega Koos Plooij - die de Holleeder-zaak leidt - een aantal jaar geleden werd bedreigd. «Dat heeft er behoorlijk ingehakt. Acht maanden onderduiken is echt verschrikkelijk. Zijn bewegingsvrijheid werd zo beperkt. Ik hoop dat het mij nooit zal overkomen, maar ik heb me in die tijd ook nooit afgevraagd of ik dit werk wel moet blijven doen. Mijn hart ging op dat moment toch vooral uit naar mijn collega die het moest doormaken.»
Collegiaal zijn ze dan ook zeker, de officieren onderling. Festen: «Ik zeg wel eens: wij zijn voor elkaar de enige friendly faces. Verder heb je wel een beetje eelt op de ziel nodig om dit werk te kunnen doen, want je kunt je drive niet ontlenen aan waardering – niemand zal je bedanken na een zitting. Advocaten kijken kritisch naar ons, evenals de samenleving. Dat vind ik prima, zolang we niet vals beschuldigd worden van complottheorieën, of bewuste tegenwerking. Als ik dat hoor, denk ik: bel me op als je wil weten hoe het zit.»
De ambitie om ooit rechter te worden, heeft Festen helemaal niet meer. «Het lijkt soms of dat het ultieme doel van elke jurist is, maar dat is niet zo. De afwisseling van het werk bij het OM, als spil van het strafproces, past meer bij mij. Als ik ’s ochtends binnenkom weet ik nooit wat er gaat gebeuren. Ik kan een schitterende agenda hebben, maar dan gaat de telefoon en moet ik ineens allerlei onvoorziene beslissingen nemen. Rechters hebben het rustiger, maar voor mij is dat te eenzaam, zo’n telefoon die niet gaat. Ik heb die spanning nodig, de deadlines. Die lichte adhd-trekken van mij moeten nu eenmaal bevredigd worden.»