INTERVIEWS
Journalist Joris Luyendijk
Judith Ploegman van FNV Jong
Cabaretière Sara Kroos
Actrice Bracha van Doesburgh
Strafadvocaat Inez Weski
Schrijfster Naema Tahir
Hanneke Festen van het OM
Victimoloog Jan van Dijk
Anna Korvinus
Zwemster Marleen Veldhuis
Tori Amos
Mukhtar Mai
Sylvana Simons
Anneke van The Gathering
ANNEMARIEVANGROEZEN  JOURNALIST*
HOME  PUBLICATIES  WIE  CONTACT
 
 
'Ik denk altijd inshallah - als God het wil'
Interview met Joris Luyendijk (Marie Claire 2007)
 

Journalist en voormalig Midden-Oosten-correspondent Joris Luyendijk heeft voor ons allemaal een belangrijke boodschap: neem nooit aan dat wat je in de krant leest of op het nieuws ziet per definitie waar is.



Het is dat Marie Claire de lunch betaalt, want anders had hij zeker de verslaggeefster getrakteerd, zegt hij als de rekening komt. Journalist Joris Luyendijk (35) is een attente man en dat heeft hij voor een deel overgehouden aan zijn tijd in Egypte en het Midden-Oosten, geeft hij toe. Daar zijn de mannen volgens hem veel hoffelijker, en de vrouwen extreem charmant. «Ik moest vreselijk wennen aan Nederlandse vrouwen toen ik weer terug was. Vrouwen die op hun gympen door de stad lopen, vloekend, kauwgom kauwend en» – hij maakt een zeer oncharmant rochelend geluid – «zo doen. Zelfs voor een man zou dat in een Arabisch land lomp zijn.» 

Vijf jaar lang was Luyendijk correspondent voor de Volkskrant, NRC Handelsblad, het Radio 1 Journaal en het NOS Journaal, en woonde achtereenvolgens in Cairo, Beiroet en Oost-Jeruzalem. Sinds 2003 is hij terug in Nederland en heeft hij zich met vrouw en twee kindjes gesetteld in zijn geboortestad Amsterdam. Zijn naam doet nog niet bij iedereen een belletje rinkelen, maar als presentator van VPRO’s Zomergasten werd Luyendijk vorig jaar zomer bij een breder publiek bekend. Een perfecte timing, gezien de verschijning van zijn boek Het zijn net mensen, een ontluisterend verslag over hoe de berichtgeving vanuit het Midden-Oosten in onze kranten en tv-journaals gemanipuleerd en gefilterd wordt. Zo beschrijft hij hoe het neerhalen van het beeld van Saddam Hoessein in Bagdad onder luid gejuich van de Irakese bevolking een door de Amerikanen in scène gezette actie is geweest. Dat de massa’s ‘demonstranten’ die wij op tv de Amerikaanse vlag zien verbranden in werkelijkheid een klein clubje door het regime geronselde mannen was. Dat mensen in een dictatuur nooit voor hun echte mening zullen uitkomen. En dat de geoliede pr-machine van Israël wel een gekleurd, partijdig beeld op móet leveren als je het afzet tegen het amateuristische Palestijnse voorlichtingapparaat.

Kortom, de boodschap van Joris Luyendijk is duidelijk: neem niet alles klakkeloos aan wat je leest in de krant of hoort op het nieuws, maar google zelf een beetje verder voordat je een mening vormt. Besef bijvoorbeeld dat die manipulatie ook heel dichtbij plaatsvindt; dat als Rita Verdonk een imam een hand wil geven en hij deze weigert, Verdonk dat van tevoren wist en bedacht heeft daar de media mee te gaan halen.» Met die boodschap heeft hij zich in het lezingencircuit gestort en reist hij het hele land door. Over iets anders wil hij het eigenlijk niet hebben, en al helemaal niet over zichzelf. «Als mensen te veel over mij als persoon weten, leidt dat af van de informatie die ik wil overbrengen,» is zijn mening. Dat sommige groepen die informatie dan misschien nooit tot zich krijgen, realiseert hij zich wel degelijk. Een interview dat hij heeft gegeven aan een vrouwenblad is nooit geplaatst omdat het te inhoudelijk was en de lezers toch niet zou interesseren. «Dat is toch erg? Dat je kennelijk pas echt veel mensen kunt bereiken als je je boodschap zo verwatert dat er amper wat van overblijft en dan maar moet hopen dat iemand je boek koopt omdat je zo sympathiek praat over je hond.»
Het onderwerp zit je duidelijk hoog. Als je jouw boek leest, voel je het ook als lezer: dit móest geschreven worden.
«Ja, de behoefte kwam van heel diep. Ook vanuit het principe: verbeter de wereld, begin bij jezelf, want ik wijs niet alleen met een beschuldigend vingertje naar de media. Ik wilde vooral analyseren wat ík fout had gedaan, en hoe het mij heeft kunnen overkomen dat ik niet in staat bleek om in mijn verslaglegging een waarheidsgetrouw beeld weer te geven. Terwijl ik in tegenstelling tot andere correspondenten Arabisch spreek!»

Hoe kan het dat je dat inzicht pas kreeg toen je terug was in Nederland, na vijf jaar correspondentschap?

«Het ongemakkelijke gevoel kreeg ik al eerder. Maar ik was alleen maar aan het werk, ik moest twintig landen doen, krant, radio, tv. Dan ben je voornamelijk gefocust op goede quotes verzamelen, van afspraak naar afspraak rennen, deadlines, en denk je niet na over waar je eigenlijk mee bezig bent. Ik dacht dat ik schreef wat ik wilde, maar in feite werd ik aan alle kanten beperkt; CNN had al besloten wat nieuws was, de persbureaus bepaalden de invalshoek. Dus wat ik aan wie ging vragen en hoe en waar, dat lag al vast. En de woorden die ik ging gebruiken eigenlijk ook. Als ik vervolgens een superslicke woordvoerder voor de ene kant had, en voor de andere kant eentje die niet uit zijn woorden komt, of nog erger: geen een, omdat Al Qaeda en de Taliban geen woordvoerder (mogen) hebben, dan was de keuze voor die ene minuut zendtijd snel gemaakt. En dus hoor je altijd maar één versie van het verhaal: de visie van de Navo. Na een jaar correspondentschap had ik nog geen gewone Egyptenaar in de krant gekregen. Alleen in de zomer, als er geen nieuws was, kon ik een serietje kwijt over gewone mensen. Vanaf september moest het weer gaan over de Arabische Liga, of een bezoek van Colin Powell. Al die dingen die zo saai zijn dat iedereen ze terecht overslaat in de krant.»
Je schrijft dat je de vertekening het sterkst voelde in je verhalen over vrouwen. Je gaat ons toch niet vertellen dat het wel meevalt met de onderdrukking van vrouwen in Arabische landen?

«Als je het aan die vrouwen vraagt, zullen velen antwoorden dat ze helemaal niet onderdrukt worden. Wij mogen best vinden dat het wel zo is, maar toch is het handig om er als media bij te vermelden dat ze het zelf anders zien. Zo voorkom je het beeld dat moslimvrouwen onwetende robots zijn die nodig eens wakker geschud moeten worden. Dat een dergelijk beeld toch ontstaat, komt doordat westerse journalisten in Arabische landen altijd de feministes opzoeken, en die zeggen uiteraard dat andere vrouwen onderdrukt worden en het liefst net zo worden als zij. Het is zo weinig nieuwsgierig om niet verder te kijken dan dat ene beeld, want zo misken je die moslimvrouwen. Ze zijn namelijk, om de titel van mijn boek te gebruiken, net mensen. Mensen die hun eigen keuzes maken, ook al zijn die beperkt. Over die beperkingen kun je het hebben, maar als je er vooraf vanuit gaat dat de ander onderdrukt is en vanuit dat perspectief al je vragen gaat stellen, dan zul je nooit veel van de wereld begrijpen.» 
Jij hebt jezelf nooit laten leiden door vooroordelen?

«Toen ik als student naar Egypte ging om er een jaar te wonen, wist ik zeker dat ze daar allemaal jaloers op me zouden zijn. Omdat ik het juk van religie al had afgegooid, westerling was, en dus rijk en geëmancipeerd. Zo wil iedereen worden, dacht ik, want dat beeld overheerste in de jaren tachtig en negentig. Eenmaal daar kreeg ik te horen: ‘Wij begrijpen wel dat je naar Egypte bent gekomen, want we zijn dan wel minder rijk, het is hier veel beter. Hier worden je oma en opa niet vermoord (men doelt op onze euthanasiewetgeving), gaan mannen en vrouwen normaal met elkaar om, en word je als homo geholpen om te genezen. Jij wil net als wij worden, want dat is het allerbeste.’ Dat was even een eye-opener. Ik heb met eigen ogen gezien hoe religie mensen helpt met een heel moeilijk leven – zeven dagen per week werken, twee banen op een dag, bijna niets verdienen, paar dagen vakantie per jaar, met z’n tienen in een huis van drie kamers en weten dat je kinderen naar een school gaan waar ze niets leren. Dat houdt geen Nederlander vol. Maar dan zegt zo’n zelfde Nederlander dat die mensen datgene wat hen kracht geeft, hun religie, maar eens moeten afschaffen. Opinies hier zijn zelden gebaseerd op het daar zelf gaan kijken hoe het zit, maar veel meer op het besluit: ik wil het zo zien. En toch kon ik dit beeld jaren later, toen ik al beter wist, zelf als journalist nauwelijks bijstellen door alle beperkingen waarmee journalisten te maken hebben, maar waar je ze nooit over hoort.» 
Was je niet bang je collega’s voor het hoofd te stoten met je boek?

«Ja, ik was daar heel zenuwachtig over. Ik dacht: ik zet ze toch maar in hun hemd. Uiteindelijk heeft geen enkele hoofdredacteur gedacht: ik ga eens inhoudelijk in op dat boek. De discussie die ik op gang wilde brengen is er helemaal niet gekomen. Een paar collega-correspondenten suggereerden in het vakblad De Journalist dat vijf jaar correspondentschap niet lang genoeg is om door manipulatie heen te prikken. Dat soort reacties vind ik heel treurig.» 
Uiteindelijk zijn het wel je vakbroeders en –zusters die je hebben uitgeroepen tot journalist van het jaar, ofwel de machtigste mediamens van 2006. Dat is nogal wat, zo’n titel.

«Gaaf he? Ik voel me nu echt een hele jongen. Ach, voor de vertalingen van mijn boek die ik probeer te krijgen in het buitenland is het geweldig. Journalist of the Year klinkt prachtig. Maar dat ik de machtigste mediamens ben, klopt dus niet. Macht meet je af in effecten, maar mijn boek heeft geen effect gehad, want er is geen open discussie ontstaan. En wie nu de berichtgeving over ‘onze jongens’ in Uruzgan volgt, ziet dat er weer precies hetzelfde gebeurt als in mijn tijd als correspondent. Weer wordt niet uitgelegd dat in een niet-democratie alles anders is dan dat het lijkt, je krijgt nooit de versie van de Taliban te horen en er wordt gepraat over missie en opbouwen, maar dat gaan we daar helemaal niet doen; we gaan de Taliban vernietigen en als we klaar zijn, gaan we weer weg. Fuck de Afghanen, we gaan niets opbouwen! Als we zonodig onze medemensen willen helpen kunnen we met een fractie van de kosten duizend keer zoveel mensen in Bangladesh of Pakistan helpen. Maar onze leiders verzwijgen onze echte doelen en daar gaan wij als journalisten helemaal in mee. Als nieuws krijgen we Bennie Jolink voorgeschoteld die zingt voor de troepen.» 
Hoe zou jij het nu doen?

«Als ik nu in het Midden-Oosten zou zijn en vanuit Hilversum de vraag zou krijgen: ‘Joris, hoe reageert de gewone man daar op de executie van Saddam?’, dan zou ik niet zeggen: ‘Er heerst hier grote boosheid,’ maar gewoon zeggen dat ik dat niet kán weten, omdat het hier een chaos is. Dat zou ik nu wel durven, zeggen dat je iets niet weet. Maar hoeveel kijkers willen dat horen?» 
Gaat het niet kriebelen?

«Het kriebelt zeker, nu ons land in oorlog is in Uruzgan. Maar je kunt maar één ding tegelijk, en ik ben nu nog bezig met de promotie van mijn boek.» 
Je zou wel terug willen naar het Midden-Oosten, ook nu je een gezin hebt?

«Ik wil nooit meer voor langere tijd die kant op. Maar dat heeft vooral te maken met het feit dat je zoveel moet reizen. Ik wist soms niet meer in welk land ik wakker werd. Heerlijk om een paar jaar te doen, maar ook heerlijk om het niet meer te doen. Zo’n onderwerp als Uruzgan kun je ook vanuit hier heel goed oppakken, met een satellietschotel, internet en 40.000 Afghanen in Nederland als bronnen. Nee, als ik ooit weer naar het buitenland ga, dan wordt het Amerika.» 
In een interview heb je gezegd dat je na een paar jaar buitenland nooit meer helemaal in Nederland past. Je bent nog Hollander genoeg om nu te kiezen voor een kop erwtensoep, maar verder; ben je veranderd?

«Ik ben een allochtoon geworden. Een deel van mij is gevormd buiten Nederland, maar dat zie ik als een verrijking hoor. Ik heb dankzij de moslims een realistischer beeld van hoe het leven in elkaar zit. Als ik het over de toekomst heb, zeg ik in mijzelf altijd insjallah – als God het wil. Je kunt morgen wel een knobbeltje ergens ontdekken, of overreden worden. Dat je controle hebt over je leven is zo’n overschatting van westerlingen. Islam betekent onderwerping of aanvaarding; je hebt je leven niet in eigen handen. Je zit in een stroom en je kunt beter onderweg om je heen kijken en genieten, want wat je ook doet en jezelf wijsmaakt, je hebt het toch niet onder controle en je komt toch uit bij de dood. Misschien ben ik daarmee in zekere zin wel moslim geworden.» 
Is dat ook de houding om te midden van bomaanslagen te kunnen wonen? Een paar keer was je laatste uur toch écht bijna geslagen. Was je niet bang?

«Er dreigde continu gevaar, maar angst is taboe voor een correspondent in een oorlogsgebied, want het is een machoberoep. Plus je verdringt het, want zodra je het toelaat, ga je weg. Statistisch is in Israël de kans trouwens groter dat je omkomt op weg naar een aanslag, in het verkeer, dan bij een aanslag.» 
Toch worden we allemaal ook wat voorzichtiger met het ouder worden. Zijn jouw roekeloze jaren voorbij?

«Ik denk het wel. Hoewel ik toch ook een fuck-you-mentaliteit heb meegenomen uit het Midden-Oosten. Wie zich door angst laat leiden, heeft een suf leven. Zomergasten had een blamage kunnen worden en mijn einde kunnen zijn. Mijn boek was natuurlijk ook een potentiële carrièrekiller. Maar ik lig er van tevoren niet wakker van, pas achteraf ga ik bibberen van de risico’s die ik heb genomen. En als het lukt, geldt gelukkig ook: hoe groter het risico, hoe groter de bevrediging. Zwaarder dan mijn eerste jaar in Egypte kan het ook nooit meer worden. Integreren tussen mensen die geen idee hebben wie je bent en waar je vandaan komt, met wie je in het begin nauwelijks kunt communiceren. En die alles voor me wilden betalen, wat dus smerig eten, vieze douches, gore toiletten, en eindeloos wachten op busjes betekende. O, wat was dat zwaar. Maar ook supergaaf. Het Midden-Oosten-correspondentschap was een koekie daarbij vergeleken. Zelfs met een aanslag voor de deur. Weet je wat ik eigenlijk het grootste gevaar vond van mijn werk tot nu toe? Het afstompen. Dat je iemand interviewt in Gaza die een bomaanslag heeft overleefd omdat hij net een pizza ging halen, maar wiens hele familie net is omgekomen, en dat je dan alleen maar denkt aan de diepmenselijke quote die je interview gaat opleveren. Zodat die avond de NRC lezende notaris in Boekelo denkt: wow, wat een mooie quote. Op die momenten dacht ik wel eens: wat een ziek vak, ik ga weg. Tot je eraan gewend bent geraakt en denkt: o, vier doden, mwah… nee, er komt vast geen vergelding, dus we kunnen wel even met vakantie. Als je écht nadenkt wat het betekent voor het slachtoffer tegenover je dan verlam je, of verval je steeds opnieuw in boosheid en verontwaardiging. Mensen die er te gevoelig voor zijn, stoppen er op den duur mee en gaan een boek schrijven… Ja, ik denk dat ik uiteindelijk toch iets te overgevoelig was. En eerlijk gezegd hoop ik dat te kunnen blijven.»